Apothekers podcast met Harm Geers omslag

Apothekers Podcast
met Harm Geers

In dit interview met dr. Schouten hebben we het over antibiotica resistentie. We praten over hoe deze resistentie ontstaat, wanneer je risico loopt en hoe we verstandig om moeten gaan met antibiotica. Ries legt uit hoe bacteriën hun resistente genen kunnen overdragen op andere bacteriën, zelf op bacteriën die niet tot dezelfde soort behoren. We bespreken dat de inzet van antibiotica zeer voorzichtig moet gebeuren, maar dat de emotie om antibiotica in te zetten een belangrijke rol speelt bij de patiënt, maar ook bij de voorschrijvende dokter. Een belangrijk onderwerp dat wordt uitgelegd is dat antibiotica niet werkzaam zijn tegen virussen en dat de meeste infecties virus infecties zijn, dus dat we antibiotica niet snel moeten voorschrijven. Bovendien hebben antibiotica ook invloed op de darmflora, waardoor deze van samenstelling kan veranderen en waardoor mensen mogelijk eerder nadelige effecten kunnen krijgen, denk hierbij aan gewichtstoename en mogelijk depressies (luister hiervoor ook naar apothekerspodcast #31. Als je meer wilt weten over Ries, kijk dan op zijn LinkedIn profiel: https://www.linkedin.com/in/ries-schouten-04025522/

Veel luisterplezier gewenst met deze apothekerspodcast. 

dr. Henk Frans Kwint promoveerde op het gebied van medicatiebeoordelingen en doet daar nog steeds onderzoek naar. Hij is mede auteur van de richtlijn medicatiebeoordeling en ook mede auteur van de richtlijn deprescribing of demedicalisering. Met Henk Frans praat ik over wat nu precies een medicatiebeoordeling is en welke zaken hier allemaal bij komen kijken. We praten over problemen of twijfels die mensen hebben als ze stoppen met medicijnen of als er veranderingen worden voorgesteld in hun medicatie naar aanleiding van zo'n medicatiebeoordeling. Ook spreken we onze wederzijdse wens uit dat mensen zich vaker wenden tot de apotheker met vragen over hun medicatie en wordt de consult functie van de apotheker belicht. 

meer over Henk Frans Kwint: 
https://sirstevenshof.nl/medewerkers/dr-henk-frans-kwint
https://www.linkedin.com/in/henk-frans-kwint-0a03544/

https://www.thuisarts.nl/medicijngebruik-bij-ouderen
https://richtlijnen.nhg.org//files/2020-11/Final_Module%20Minderen%20en%20stoppen%20van%20medicatie.pdf
https://richtlijnen.nhg.org/multidisciplinaire-richtlijnen/polyfarmacie-bij-ouderen

In deze aflevering een uitgebreid interview met apotheker dr. Job van Boven, die heel veel weet over longmedicatie, we bespreken het verschil tussen Astma en COPD, of is dat verschil minder duidelijk dan we denken? We hebben het over inhalatietechniek, therapietrouw, het astma actieplan, het COPD actieplan. Verder gaat Job in op onderzoek dat hij heeft gedaan naar elektronische hulpmiddelen die helpen om medicatie beter te kunnen inhaleren. In de aflevering worden diverse studies en websites aangehaald, hieronder de links naar alle relevante artikelen en websites. Veel luisterplezier!

Meer over dr. Job van Boven: https://www.rug.nl/staff/j.f.m.van.boven/
https://www.linkedin.com/in/job-van-boven-53336b17/?originalSubdomain=nl

Hierbij de links naar de artikelen:

TAI: 

Actie plan: Astma Actieplan – Longfonds webshop

COPD actieplan: Longaanval actieplan COPD – Longfonds webshop

Digitale voorzetkamer: 

Dierick BJH, et al. Digital spacer data driven COPD inhaler adherence education: The OUTERSPACE proof-of-concept study. Respir Med. 2022;201:106940, link: Digital spacer data driven COPD inhaler adherence education: The OUTERSPACE proof-of-concept study - ScienceDirect

PW artikel milieu impact inhalatoren: Dekhuijzen et al. CO2-VOETAFDRUK VAN  INHALATOREN KAN OP VELE FRONTEN OMLAAG. Pharmaceutisch Weekblad 2022. Link:  4844435-Q-KNMP-PW nummer 16_v7.pdf (inhalatieinstituut.nl)

PHARMACOP (apotheek studie COPD): 

Tommelein E, et al. Effectiveness of pharmaceutical care for patients with chronic obstructive pulmonary disease (PHARMACOP): a randomized controlled trial. Br J Clin Pharmacol. 2014; 77(5):756-66, link: Effectiveness of pharmaceutical care for patients with chronic obstructive pulmonary disease (PHARMACOP): a randomized controlled trial - Tommelein - 2014 - British Journal of Clinical Pharmacology - Wiley Online Library

Jansen EM, et al. Global burden of medication non-adherence in chronic obstructive pulmonary disease (COPD) and asthma: a narrative review of the clinical and economic case for smart inhalers.

J Thorac Dis. 2021; 13(6):3846-3864, link: Global burden of medication non-adherence in chronic obstructive pulmonary disease

In deze episode hebben we het over hyponatriëmie, een van de meest voorkomend elektrolyt stoornissen. Wat is dit nu precies, komt het door een tekort aan Natrium of juist door een teveel aan water. Dat laatste blijkt eigenlijk het geval te zijn. Teveel aan water leidt tot een verdunning van het Natrium en tot hyponatriëmie. Antidiuretisch hormoon speelt hierbij een belangrijke rol. Geneesmiddelen die een hyponatriëmie kunnen veroorzaken zijn vooral SSRI's, TCA's, thiazide diuretica en carbamazepine. Verde kan XTC of MDMA gebruik een hyponatriëmie geven.

Literatuur
1.  Ingelfinger JR, Sterns RH. Disorders of Plasma Sodium — Causes, Consequences, and Correction. New Engl J Medicine. 2015;372(1):55–65.
2.  Krisanapan P, Vongsanim S, Pin-on P, Ruengorn C, Noppakun K. Efficacy of Furosemide, Oral Sodium Chloride, and Fluid Restriction for Treatment of Syndrome of Inappropriate Antidiuresis (SIAD): An Open-label Randomized Controlled Study (The EFFUSE-FLUID Trial). American Journal of Kidney Diseases. 2020 Mar 19;1–10.
3.  Wouda RD, Dekker SEI, Reijm J, Engberink RHGO, Vogt L. Effects of Water Loading on Observed and Predicted Plasma Sodium, and Fluid and Urine Cation Excretion in Healthy Individuals. American Journal of Kidney Diseases. 2019 Apr 17;1–8.
4.  Moritz ML, Kalantar-Zadeh K, Ayus JC. Ecstacy-associated hyponatremia: why are women at risk? Nephrol Dial Transpl. 2013;28(9):2206–9.
5.  Swart RM, Hoorn EJ, Betjes MG, Zietse R. Hyponatremia and Inflammation: The Emerging Role of Interleukin-6 in Osmoregulation. Nephron Physiology. 2011;118(2):p45–51.
6.  Qian Q. Hypernatremia. Clinical Journal of the American Society of Nephrology. 2019 Mar 8;14(3):432–4.
7.  Knepper MA, Kwon TH, Nielsen S. Molecular Physiology of Water Balance. Ingelfinger JR, editor. The New England journal of medicine. 2015 Apr 2;372(14):1349–58.
8.  Workeneh BT, Jhaveri KD, Rondon-Berrios H. Hyponatremia in the cancer patient. Kidney International. 2020 Jun 1;1–47.
9.  Portales-Castillo I, Sterns RH. Allostasis and the Clinical Manifestations of Mild to Moderate Chronic Hyponatremia: No Good Adaptation Goes Unpunished. American Journal of Kidney Diseases. 2019 Mar 1;73(3):391–9.
10.  Decaux G, Musch W. Clinical Laboratory Evaluation of the Syndrome of Inappropriate Secretion of Antidiuretic Hormone. Clinical Journal of the American Society of Nephrology [Internet]. 2008 Jun 27;3(4):1175–84. Available from: https://cjasn.asnjournals.org/content/clinjasn/3/4/1175.full.pdf
11.  Fernandes N. Hyponatremia and falls in the elderly in hospital setting Neychelle Fernandes MD, Mary Musuku MD, Arnold Eiser Md, FACP. Journal of the American Geriatrics Society. 2012;60:S66.
12.  Braconnier P, Decaux G, Kengne FG. Hyponatremia as a risk factor for fractures: A meta analysis. Nephrology Dialysis Transplantation. 2015;30:iii67.
13.  Sharma N, Verbalis JG, Manigrasso MB, Tam H, Barsony J, Xu Q. Hyponatremia causes bone loss and sarcopenia. J Bone Miner Res. 2011;26.


Met Liset van Dijk praat ik over een veel voorkomend fenomeen, namelijk therapie(on)trouw. Veel mensen nemen hun geneesmiddelen niet in zoals is afgesproken met hun arts. Hierdoor hebben mensen minder positieve effecten van hun geneesmiddelen. Met Liset praat ik over welke soorten therapieontrouw er nu allemaal zijn en wat mogelijke oorzaken hiervan zijn. Een buitengewoon interessant en relevant onderwerp, want therapieontrouw komt heel veel voor en gaat gepaard met hoge gezondheidskosten. Kortom reden genoeg om te luisteren naar dit interview. Veel luisterplezier.

In de vroege morgen treden er meer hartinfarcten en herseninfarcten op. Het blijkt dat onze bloeddruk een circadiaans ritme vertoont en dat de bloeddruk normaal >10% daling vertoont gedurende de nacht(dit wordt "dipping" genoemd . Sommigen mensen hebben een " non-dipping" patroon, wat wordt gezien als een verstoring in het circadiaanse ritme. Non-dipping is geassocieerd met een verhoogde kans op verdere schade aan hart en vaten en aan de nieren en heeft een verhoogd risico op sterfte door hart- en vaatziekten en op het verergeren van schade aan de nieren. In deze podcast wordt gesproken over het ritme van onze nieren (die betrokken zijn bij de regulatie van de bloeddruk) en van het ritme van het hartvaatstelsel. De resultaten van de Hygia trial worden besproken. In de Hygia trial werd duidelijk dat het innemen van de bloeddruk medicatie vlak voor het slapen een beschermend effect had tegen hart- en vaatziekten in vergelijk met het innemen van bloeddruk medicatie in de ochtend. Er zijn nog wel wat kanttekeningen te plaatsen bij de Hygia trial, ook deze worden besproken. 

Literatuur
1.  Crespo JJ, Piñeiro L, Otero A, Castiñeira C, Ríos MT, Regueiro A, et al. Administration-Time-Dependent Effects of Hypertension Treatment on Ambulatory Blood Pressure in Patients With Chronic Kidney Disease. Chronobiology International [Internet]. 2012 Sep 24;30(1–2):159–75. Available from: https://www-tandfonline-com.proxy.library.uu.nl/doi/pdf/10.3109/07420528.2012.701459?needAccess=true
2.  Hermida RC, Ayala DE, Mojon A, Fernandez JR. Bedtime Dosing of Antihypertensive Medications Reduces Cardiovascular Risk in CKD. Journal of the American Society of Nephrology [Internet]. 2011 Nov 30;22(12):2313–21. Available from: https://jasn.asnjournals.org/content/jnephrol/22/12/2313.full.pdf
3.  Hermida RC, Crespo JJ, Domínguez-Sardiña M, Otero A, Moyá A, Ríos MT, et al. Bedtime hypertension treatment improves cardiovascular risk reduction: the Hygia Chronotherapy Trial. Eur Heart J. 2019;41(48):4565–76.
4.  Wang C, Qiu X, Lv L, Huang J, Li S, Lou T, et al. Chronotherapy for hypertension in patients with chronic kidney disease: a systematic review and meta-analysis in non-black patients. International Urology and Nephrology. 2016 Nov 12;49(4):651–9.
5.  Xie Z, Zhang J, Wang C, Yan X. Chronotherapy for morning blood pressure surge in hypertensive patients: a systematic review and meta-analysis. Bmc Cardiovasc Disor. 2021;21(1):274.
6.  Hermida RC, Ayala DE, Smolensky MH, Mojón A, Fernández JR, Crespo JJ, et al. Chronotherapy improves blood pressure control and reduces vascular risk in CKD. Nature reviews Nephrology. 2013 Apr 23;9(6):358–68.
7.  Castagna A, Pizzolo F, Chiecchi L, Morandini F, Channavajjhala SK, Guarini P, et al. Circadian exosomal expression of renal thiazide-sensitive NaCl cotransporter (NCC) and prostasin in healthy individuals. Martínez JLC, Lodeiro  Carlos, Santos HM, editors. PROTEOMICS - Clinical Applications [Internet]. 2015 Jun 16;9(5–6):623–9. Available from: https://www.readcube.com/articles/10.1002/prca.201400198?no_additional_access=1&tracking_referrer=onlinelibrary-wiley-com.proxy.library.uu.nl&purchase_referrer=onlinelibrary-wiley-com.proxy.library.uu.nl&publisher=wiley&access_api=1&parent_url=https:%2F%2Fonlinelibrary-wiley-com.proxy.library.uu.nl%2Fdoi%2Fepdf%2F10.1002%2Fprca.201400198&preview=1&ssl=1
8.  Firsov D, Bonny O. Circadian regulation of renal function. Kidney International. 2010 Oct 1;78(7):640–5.
9.  Costello HM, Gumz ML. Circadian Rhythm, Clock Genes, and Hypertension: Recent Advances in Hypertension. Hypertension. 2021;78(5):1185–96.
10.  Mohandas R, Douma LG, Scindia Y, Gumz ML. Circadian rhythms and renal pathophysiology. J Clin Investigation. 2022;132(3):e148277.
11.  Firsov D, Bonny O. Circadian rhythms and t

In deze apothekerspodcast wordt uitgelegd waarom ons lichaam een eigen ritme heeft en hoe dat ritme ontstaat. Het circadiaanse ritme (circa=ongeveer, diem=dag) is een ritme van ongeveer 24 uur. Bijna alle cellen in ons lichaam hebben zo'n 24-uurs ritme en dit ritme wordt in stand gehouden door CLOCK:BMAL1 eiwitten (transcriptiefacoren) die op hun beurt weer de aanmaak van PER (period) en CRY (cryptochrome) stimuleren. De klokken in ons lichaam worden door een "master clock" gereguleerd, die master clock bevind zich in de  Supra Chiasmatische Nucleus (SCN) en wordt gesynchroniseerd door licht dat in contact komt met intrinsic photosensitive Retinal Ganglionic Cells (ipRGC), die vervolgens via de Retino Hypothalamal Tract een signaal doorgeven aan de SCN, zodat deze zichzelf synchroniseert. Bij een jetlag is er een afwijking (logisch) tussen de blootstelling aan licht en het juiste tijdstip waarop PER en CRY worden geproduceerd. Hierdoor raakt ons lichaam tijdelijk uit balans. Voor veel aandoeningen speelt het circadiaanse ritme een rol, in de volgende apothekerspodcast zullen we daar verder op ingaan. 

Literatuur
1.  Takahashi JS. Transcriptional architecture of the mammalian circadian clock. Nature Reviews Genetics [Internet]. 2016 Dec 19;18(3):164–79. Available from: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5501165/pdf/nihms866355.pdf
2.  Patton AP, Hastings MH. The suprachiasmatic nucleus. Curr Biol. 2018;28(15):R816–22.
3.  Hastings MH, Maywood ES, Brancaccio M. Generation of circadian rhythms in the suprachiasmatic nucleus. Nature Reviews Neuroscience. 2018 Jul 12;19(8):1–17.
4.  Evans JA. Collective timekeeping among cells of the master circadian clock. Journal of Endocrinology [Internet]. 2016 Jul 9;230(1):R27–49. Available from: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC4938744/pdf/nihms789172.pdf
5.  Allada R, Bass J. Circadian Mechanisms in Medicine. New Engl J Med. 2021;384(6):550–61.
6.  Schibler U, Gotic I, Saini C, Gos P, Curie T, Emmenegger Y, et al. Clock-Talk: Interactions between Central and Peripheral Circadian Oscillators in Mammals. Cold Spring Harbor Symposia on Quantitative Biology [Internet]. 2016 Jun 20;80:223–32. Available from: http://symposium.cshlp.org/content/80/223.full.pdf
7.  Castagna A, Pizzolo F, Chiecchi L, Morandini F, Channavajjhala SK, Guarini P, et al. Circadian exosomal expression of renal thiazide-sensitive NaCl cotransporter (NCC) and prostasin in healthy individuals. Martínez JLC, Lodeiro  Carlos, Santos HM, editors. PROTEOMICS - Clinical Applications [Internet]. 2015 Jun 16;9(5–6):623–9. Available from: https://www.readcube.com/articles/10.1002/prca.201400198?no_additional_access=1&tracking_referrer=onlinelibrary-wiley-com.proxy.library.uu.nl&purchase_referrer=onlinelibrary-wiley-com.proxy.library.uu.nl&publisher=wiley&access_api=1&parent_url=https:%2F%2Fonlinelibrary-wiley-com.proxy.library.uu.nl%2Fdoi%2Fepdf%2F10.1002%2Fprca.201400198&preview=1&ssl=1
8.  Zhang R, Lahens NF, Ballance HI, Hughes ME, Hogenesch JB. A circadian gene expression atlas in mammals: Implications for biology and medicine. Proc National Acad Sci. 2014;111(45):16219–24.
9.  Moore-Ede MC. Physiology of the circadian timing system: predictive versus reactive homeostasis. The American journal of physiology. 1986 May;250(5 Pt 2):R737-52.
10.  Dibner C, Schibler U, Albrecht U. The Mammalian Circadian Timing System: Organization and Coordination of Central and Peripheral Clocks. Annual Review of Physiology [Internet]. 2010 Mar 17;72(1):517–49. Available from: https://www-annualreviews-org.proxy.library.uu.nl/doi/pdf/10.1146/annurev-physiol-021909-135821


In deze apothekerspodcast meer inzicht in de praktische zaken van minderen met zout, waarbij ik Odette Paling interview. Odette is diëtiste aan de Wageningen Universiteit en Research center (WUR). Wij bespreken onderandere mijn eigen ervaringen met minder zout eten, het gebruik van de zoutmeter.com en de eetmeter van het voedingscentrum. De verborgen zoutbronnen in voeding. Odette geeft allerlei tips die je kunt toepassen om gezonder te eten en minder zout te eten. 

Bronnen
https://www.voedingscentrum.nl/nl/thema/apps-en-tools-voedingscentrum/mijn-eetmeter-app-online.aspx
www.zoutmeter.com

Zoutbeperking wordt naast stoppen met roken en afvallen aangeraden om de bloeddruk te verlagen. In deze apothekerspodcast gaan we wat dieper in op de effecten van zoutbeperking, we kijken naar de wetenschappelijke literatuur die is verschenen over dit onderwerp en bespreken deze. En wat blijkt: zoutbeperking van 3 gram zout per dag lijkt net zo effectief als behandeling met medicatie. De combinatie van een gezond dieet (DASH dieet) en zoutbeperking geeft een bloeddrukdaling van ruim 11 mm Hg systolisch. Zoutbeperking heeft nog meer effect in personen van Afrikaans Amerikaanse afkomst dan in blanke personen. Verder blijkt ook dat het toevoegen van 25% Kalium Chloride aan keukenzout positieve effecten heeft op sterfte, hart- en vaatziekten en herseninfarcten.

Literatuur

1.  Sacks FM, Svetkey LP, Vollmer WM, Appel LJ, Bray GA, Harsha D, et al. Effects on Blood Pressure of Reduced Dietary Sodium and the Dietary Approaches to Stop Hypertension (DASH) Diet. New Engl J Medicine. 2001;344(1):3–10.
2.  Bibbins-Domingo K, Chertow GM, Coxson PG, Moran A, Lightwood JM, Pletcher MJ, et al. Projected Effect of Dietary Salt Reductions on Future Cardiovascular Disease. New Engl J Medicine. 2010;362(7):590–9.
3.  Neal B, Wu Y, Feng X, Zhang R, Zhang Y, Shi J, et al. Effect of Salt Substitution on Cardiovascular Events and Death. New Engl J Med. 2021;385(12):1067–77.
4.  Ellison DH, Welling P. Insights into Salt Handling and Blood Pressure. New Engl J Med. 2021;385(21):1981–93.
5.  Pimenta E, Gaddam KK, Oparil S, Aban I, Husain S, Dell’Italia LJ, et al. Effects of Dietary Sodium Reduction on Blood Pressure in Subjects With Resistant Hypertension. Hypertension. 2009;54(3):475–81.
6.  He FJ, MacGregor GA. Effect of modest salt reduction on blood pressure: a meta-analysis of randomized trials. Implications for public health. J Hum Hypertens. 2002;16(11):761–70.
7.  Nomura N, Shoda W, Uchida S. Clinical importance of potassium intake and molecular mechanism of potassium regulation. Clin Exp Nephrol. 2019;23(10):1175–80.

Myocarditis, ontsteking van de hartspier komt voor als bijwerking van mRNA vaccins, het risico hierop is echter 1000 x zo laag als bij een active infectie met het SARS-COV-2 virus zelf. In die zin zou je kunnen zeggen dat vaccinatie dus ook beschermd tegen een ontsteking van de hartspier. Het risico is hoger bij mannen onder de 30 jaar. 

Literatuur

1.  Aikawa T, Takagi H, Ishikawa K, Kuno T. Myocardial injury characterized by elevated cardiac troponin and in‐hospital mortality of COVID‐19: an insight from a meta‐analysis. J Med Virol. 2020;93(1):10.1002/jmv.26108.
2.  Maiese A, Frati P, Duca FD, Santoro P, Manetti AC, Russa RL, et al. Myocardial Pathology in COVID-19-Associated Cardiac Injury: A Systematic Review. Diagnostics. 2021;11(9):1647.
3.  Mevorach D, Anis E, Cedar N, Bromberg M, Haas EJ, Nadir E, et al. Myocarditis after BNT162b2 mRNA Vaccine against Covid-19 in Israel. New Engl J Medicine. 2021;385(23):NEJMoa2109730.
4.  Heymans S, Cooper LT. Myocarditis after COVID-19 mRNA vaccination: clinical observations and potential mechanisms. Nat Rev Cardiol. 2022;19(2):75–7.
5.  Witberg G, Barda N, Hoss S, Richter I, Wiessman M, Aviv Y, et al. Myocarditis after Covid-19 Vaccination in a Large Health Care Organization. New Engl J Medicine. 2021;385(23):NEJMoa2110737.
6.  Montgomery J, Ryan M, Engler R, Hoffman D, McClenathan B, Collins L, et al. Myocarditis Following Immunization With mRNA COVID-19 Vaccines in Members of the US Military. Jama Cardiol. 2021;6(10):1202–6.
7.  Vojdani A, Kharrazian D. Potential antigenic cross-reactivity between SARS-CoV-2 and human tissue with a possible link to an increase in autoimmune diseases. Clin Immunol Orlando Fla. 2020;217:108480–108480.
8.  Heymans S, Eriksson U, Lehtonen J, Cooper LT. The Quest for New Approaches in Myocarditis and Inflammatory Cardiomyopathy. J Am Coll Cardiol. 2016;68(21):2348–64.


Calcium Antagonisten remmen de instroom van Calcium in de cel en verlagen daarmee de spiersamentrekking . Hierdoor neemt de diameter van de vaten toe (ze trekken immers niet meer samen). Er zijn verschillende calciumkanalen, L-type en T-type zijn de belangrijkste, maar er zijn er nog meer, deze vallen buiten het bestek van deze podcast. Calciumantagonisten hebben als bijwerking vochtophoping (oedeem), duizeligheid, hoofdpijn en blozen, maar kunnen ook de spanning van de slokdarmsfincter verlagen, waardoor ze zuurbranden kunnen verergeren.  
Calciumantagonisten zijn effectief als eerstelijns bloeddrukverlager, mogelijk verminderen ze het aantal herseninfarcten en het aantal cardiovasculaire gebeurtenissen. Calciumantagonisten worden ook voor andere aandoeningen dan hoge bloeddruk gebruikt.

Literatuur
1.  Ang HT, Lim KK, Kwan YH, Tan PS, Yap KZ, Banu Z, et al. A Systematic Review and Meta-Analyses of the Association Between Anti-Hypertensive Classes and the Risk of Falls Among Older Adults. Drug Aging. 2018;35(7):625–35.
2.  Katz AM. Calcium channel diversity in the cardiovascular system. J Am Coll Cardiol. 1996;28(2):522–9.
3.  Godfraind T. Discovery and Development of Calcium Channel Blockers. Front Pharmacol. 2017;8:286.
4.  Lin Y-C, Lin J-W, Wu M-S, Chen K-C, Peng C-C, Kang Y-N. Effects of calcium channel blockers comparing to angiotensin-converting enzyme inhibitors and angiotensin receptor blockers in patients with hypertension and chronic kidney disease stage 3 to 5 and dialysis: A systematic review and meta-analysis. Plos One. 2017;12(12):e0188975.
5.  Wright JM, Musini VM, Gill R. First‐line drugs for hypertension. Cochrane Db Syst Rev. 2018;2018(4):CD001841.
6.  He T, Liu X, Li Y, Liu XY, Wu QY, Liu ML, et al. High-dose calcium channel blocker (CCB) monotherapy vs combination therapy of standard-dose CCBs and angiotensin receptor blockers for hypertension: a meta-analysis. J Hum Hypertens. 2017;31(2):79–88.
7.  Palla M, Ando T, Androulakis E, Telila T, Briasoulis A. Renin‐Angiotensin System Inhibitors vs Other Antihypertensives in Hypertensive Blacks: A Meta‐Analysis. J Clin Hypertens. 2017;19(4):344–50.
8.  Zamponi GW, Striessnig J, Koschak A, Dolphin AC. The Physiology, Pathology, and Pharmacology of Voltage-Gated Calcium Channels and Their Future Therapeutic Potential. Pharmacol Rev. 2015;67(4):821–70.


Bloeddruk regulatie bij mensen met een slechte nierfunctie is moeilijk te bereiken. In het verleden werden thiazide diuretica niet geadviseerd bij een eGFR<30 ml/min. Diverse kleine onderzoeken toonden aan dat het thiazide achtige diureticum chloortalidon (CT) toch wel een effect kon hebben op de bloeddruk. Onderzoeker, nefroloog Rajiv Agarwal onderzocht of CT bij mensen met een eGFR van 15-29 ml/min veilig gebruikt kon worden en een bloeddrukdaling teweeg bracht. De resultaten van dit onderzoek worden in deze apothekerspodcast actueel besproken. Graag ontvang ik feedback hierover, zodat ik weet of u als luisteraar het interessant en zinvol vindt als er nieuwe ontwikkelingen op het gebied van geneesmiddelen plaatsvinden. U kunt dat doen via twitter (@HarmGeers) of door uw feedback te sturen naar apothekerspodcast@gmail.com. Veel luisterplezier!

Literatuur
1.  Agarwal R, Sinha AD, Cramer AE, Balmes-Fenwick M, Dickinson JH, Ouyang F, et al. Chlorthalidone for Hypertension in Advanced Chronic Kidney Disease. New Engl J Med. 2021;385(27):2507–19.
2.  Agarwal R, Sinha AD, Pappas MK, Ammous F. Chlorthalidone for Poorly Controlled Hypertension in Chronic Kidney Disease: An Interventional Pilot Study. American Journal of Nephrology [Internet]. 2014;39(2):171–82. Available from: http://www.karger.com.proxy.library.uu.nl/Article/Pdf/358603
3.  Geers H. Het gebruik van thiazidediuretica bij een zeer lage glomerulaire filtratiesnelheid.
https://www.npfo.nl/artikel/het-gebruik-van-thiazidediuretica-bij-een-zeer-lage-glomerulaire-filtratiesnelheid

4.  MD RA, MD ADS. Thiazide diuretics in advanced chronic kidney disease. JASH. 2012 Sep 10;6(5):299–308.
5.  Sinha AD, Agarwal R. Thiazide Diuretics in Chronic Kidney Disease. Current Hypertension Reports. 2015 Mar 8;17(3):1–6.
6.  MD ADS, MD RA. Thiazides are useful agents in CKD. JASH. 2016 Apr 1;10(4):288–9.
7.  Peterzan MA, Hardy R, Chaturvedi N, Hughes AD. Meta-Analysis of Dose-Response Relationships for Hydrochlorothiazide, Chlorthalidone, and Bendroflumethiazide on Blood Pressure, Serum Potassium, and Urate. Hypertension. 2012;59(6):1104–9.


Angiotensine Receptor Blokkers of ARB's worden ook wel sartanen genoemd. Ze werken net een stapje verder in de keten dan ACE remmers. Ze blokkeren de angiotensine 2 receptor waardoor angiotensine II zijn werking niet goed kan uitoefenen en waardoor de bloeddruk daalt. Sartanen hebben hetzelfde effect op de bloeddruk als ACE-remmers, maar hebben minder vaak prikkelhoest als bijwerking. Verder bestaan ze minder lang dan ACE remmers en is er met ACE remmers meer ervaring opgedaan. ARB's hebben positieve effecten op mensen met diabetes en chronische nierschade. In 2018 werd er bij een aantal sartanen vervuiling met NDMA aangetroffen, een kankerverwekkende stof, die ontstond bij een aangepaste syntheseroute. Inmiddels lijken de problemen met vervuilde sartanen weer te zijn opgelost. 

Literatuur
1.  Helmer A, Slater N, Smithgall S. A Review of ACE Inhibitors and ARBs in Black Patients With Hypertension. Ann Pharmacother. 2018;52(11):1143–51.
2.  Dimou C, Antza C, Akrivos E, Doundoulakis I, Stabouli S, Haidich AB, et al. A systematic review and network meta-analysis of the comparative efficacy of angiotensin-converting enzyme inhibitors and angiotensin receptor blockers in hypertension. J Hum Hypertens. 2019;33(3):188–201.
3.  Jilesen D, Kramers C, Kerkvliet K, Bosch F, Vervuiliing van valsartan, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2019: 163, D3699.
4.  Wang K, Hu J, Luo T, Wang Y, Yang S, Qing H, et al. Effects of Angiotensin-Converting Enzyme Inhibitors and Angiotensin II Receptor Blockers on All-Cause Mortality and Renal Outcomes in Patients with Diabetes and Albuminuria: a Systematic Review and Meta-Analysis. Kidney Blood Press Res. 2018;43(3):768–79.


ACE remmers zijn beschikbaar als prodrug of als niet prodrug, ze remmen de afgifte van aldosteron via remming van het Angiotensin Converting Enzyme. Daarmee remmen ze het Renine Angiotensin Aldosteron Syteem (RAAS). ACE-remmers hebben als bijwerkingen hoest, deze bijwerking kan ook na langdurig gebruik nog optreden. Verhoging van het Kalium en een daling van de nierfunctie. Op lange termijn beschermen ze de nieren juist tegen verdere achteruitgang. Ze zijn een belangrijk wapen tegen achteruitgang van de nieren bij chronische nierschade en bij albuminurie en proteinurie (eiwit in de urine). ACE remmers hebben een matig bloeddrukverlagend effect, waarschijnlijk omdat het RAAS niet bij iedereen met een hoge bloeddruk opgereguleerd is. Bij hartfalen en na een hartinfarct is dat wel het geval en zal het bloeddrukdalend effect groter zijn. 

Literatuur
1.  Zhang Y, He D, Zhang W, Xing Y, Guo Y, Wang F, et al. ACE Inhibitor Benefit to Kidney and Cardiovascular Outcomes for Patients with Non-Dialysis Chronic Kidney Disease Stages 3–5: A Network Meta-Analysis of Randomised Clinical Trials. Drugs. 2020;80(8):797–811.
2.  Brown NJ, Vaughan DE. Angiotensin-Converting Enzyme Inhibitors. Circulation. 1998;97(14):1411–20.
3.  Heran BS, Wong MM, Heran IK, Wright JM. Blood pressure lowering efficacy of angiotensin converting enzyme (ACE) inhibitors for primary hypertension. Cochrane Db Syst Rev. 2008;(4):CD003823.
4.  Sinha AD, Agarwal R. Clinical Pharmacology of Antihypertensive Therapy for the Treatment of Hypertension in Chronic Kidney Disease. Clin J Am Soc Nephro. 2018;14(5):CJN.04330418.
5.  Wang GM, Li LJ, Tang WL, Wright JM. Renin inhibitors versus angiotensin converting enzyme (ACE) inhibitors for primary hypertension. Cochrane Db Syst Rev. 2020;10(10):CD012569.
6.  He D, Zhang Y, Zhang W, Xing Y, Guo Y, Wang F, et al. Effects of ACE Inhibitors and Angiotensin Receptor Blockers in Normotensive Patients with Diabetic Kidney Disease. Horm Metab Res. 2020;52(05):289–97.


Kaliumsparende diuretica bestaan uit mineraal receptor antagonisten (MRA) zoals spironolacton, eplerenon en finrenon en uit remmers van het Epitheliale Natrium Kanaal (ENaC). Deze aflevering gaat over de remmers van ENaC, amiloride en triamtereen. Er wordt uitgelegd wat de rol is van ENaC in hypertensie en waarom de ENaC remmers juist kaliumsparend werken. Verder wordt er ingegaan op mogelijke nieuw toepassingen van de ENaC remmers en het voordeel van deze middelen in speciale groepen. ENaC remmers worden in de praktijk in Nederland vooral gecombineerd met thiazide diuretica (zie aflevering #51). 

Literatuur
1.  Sun Q, Sever P. Amiloride: A review. J Renin-angio-aldo S. 2020;21(4):1470320320975893.
2.  Hoorn EJ, Ellison DH. Diuretic Resistance. Am J Kidney Dis. 2017;69(1):136–42.
3.  Vallée C, Howlin B, Lewis R. Ion Selectivity in the ENaC/DEG Family: A Systematic Review with Supporting Analysis. Int J Mol Sci. 2021;22(20):10998.
4.  Tetti M, Monticone S, Burrello J, Matarazzo P, Veglio F, Pasini B, et al. Liddle Syndrome: Review of the Literature and Description of a New Case. Int J Mol Sci. 2018;19(3):812.
5.  Hinrichs GR, Jensen BL, Svenningsen P. Mechanisms of sodium retention in nephrotic syndrome. Curr Opin Nephrol Hy. 2020;29(2):207–12.
6.  Mutchler SM, Kleyman TR. New insights regarding epithelial Na+ channel regulation and its role in the kidney, immune system and vasculature. Curr Opin Nephrol Hy. 2019;28(2):113–9.
7.  Svenningsen P, Hinrichs GR, Zachar R, Ydegaard R, Jensen BL. Physiology and pathophysiology of the plasminogen system in the kidney. Pflügers Archiv - European J Physiology. 2017;469(11):1415–23.
8.  Jones E, Rayner B. The importance of the epithelial sodium channel in determining salt sensitivity in people of African origin. Pediatr Nephrol. 2021;36(2):237–43.
9.  Svenningsen P, Andersen H, Nielsen LH, Jensen BL. Urinary serine proteases and activation of ENaC in kidney—implications for physiological renal salt handling and hypertensive disorders with albuminuria. Pflügers Archiv - European J Physiology. 2015;467(3):531–42.

Thiazide diuretica worden ook wel plastabletten genoemd, de hoeveelheid die je extra moet plassen na inname van deze tabletten valt echter bijzonder mee. Ze zijn al erg oud en er is heel veel ervaring mee opgedaan. Ze hebben een zeer gunstig bijwerkingen profiel en worden goed verdragen doorgaans. Ze verhogen de uitscheiding van natrium en water via de nier. In de ALLHAT studie, de grootste studie die gedaan is op het gebied van bloeddrukverlagers, bleek dat chloortalidon betere uitkomsten had dan lisinopril en amlodipine. Een bijkomend voordeel is dat chloortalidon ook nog eens heel goedkoop is ten opzichte van deze nieuwere middelen. Bijwerkingen van thiazide diuretica zijn laag natrium, laag kalium, minder calcium in de urine, verhoging van het urinezuur en een lichte stijging van de glucosespiegel. Controle van natrium, kalium en de nierfunctie wordt aanbevolen voor de start en 10-14 dagen na het starten van de therapie. 

Literatuur
1.  Group TAO and C for the ACR. Major Outcomes in High-Risk Hypertensive Patients Randomized to Angiotensin-Converting Enzyme Inhibitor or Calcium Channel Blocker vs Diuretic: The Antihypertensive and Lipid-Lowering Treatment to Prevent Heart Attack Trial (ALLHAT). Jama. 2002;288(23):2981–97.
2.  Subramanya AR, Ellison DH. Distal Convoluted Tubule. Clinical Journal of the American Society of Nephrology [Internet]. 2014 Dec 5;9(12):2147–63. Available from: https://cjasn.asnjournals.org/content/clinjasn/9/12/2147.full.pdf
3.  Omar HR, Komarova I, El-Ghonemi M, Fathy A, Rashad R, Abdelmalak HD, et al. Licorice abuse: time to send a warning message. Therapeutic Advances in Endocrinology and Metabolism. 2012 Aug 7;3(4):125–38.
4.  Loffing J, Korbmacher C. Regulated sodium transport in the renal connecting tubule (CNT) via the epithelial sodium channel (ENaC). Pflügers Archiv - European J Physiology. 2009;458(1):111–35.
5.  William JH, Danziger J. Proton-pump inhibitor-induced hypomagnesemia: Current research and proposed mechanisms. World journal of nephrology. 2016 Mar;5(2):152–7.
6.  William JH, Richards K, Danziger J. Magnesium and Drugs Commonly Used in Chronic Kidney Disease. Advances in chronic kidney disease. 2018 May;25(3):267–73.


Wat is hoge bloeddruk en wat zijn de risicofactoren voor hoge bloeddruk? Wanneer gaan we behandelen met geneesmiddelen? Wat zijn de risicofactoren en hoe kan ik mijn risico inschatten? Deze Podcast is gebaseerd op de standaard van het Nederlands Huisartsengenootschap "Cardiovasculair Risico Management" 

https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/cardiovasculair-risicomanagement#samenvatting

SGLT2 remmers zorgen voor een verminderde ziekenhuisopname door hartfalen en worden aanbevolen voor alle patiënten met hartfalen NYHA klasse 2. Momenteel worden er veel SGLT2 remmers voorgeschreven, maar hoe werken ze nu precies bij hartfalen?
In deze podcast worden eerste de belangrijkste studies kort besproken, waarbij SGLT2 remmers getest zijn en vervolgens wordt ingegaan op de mogelijke werkingsmechanismen van deze middelen bij hartfalen. Voor een verdieping in de werkingsmechanismen verwijs ik naar de literatuur hieronder. SGLT2 remmers zijn nu geregistreerd voor HFrEF, op dit moment is er een studie bij HFpEF gepubliceerd voor empagliflozine (EMPEROR preserved) en begin 2022 worden ook de resultaten van een andere studie  met dapagliflozine (DELIVER).

Literatuur
1.  Trum M, Riechel J, Wagner S. Cardioprotection by SGLT2 Inhibitors—Does It All Come Down to Na+? Int J Mol Sci. 2021;22(15):7976.
2.  Petrie MC, Verma S, Docherty KF, Inzucchi SE, Anand I, Bělohlávek J, et al. Effect of Dapagliflozin on Worsening Heart Failure and Cardiovascular Death in Patients With Heart Failure With and Without Diabetes. JAMA : the journal of the American Medical Association [Internet]. 2020 Mar 27;1–16. Available from: https://jamanetwork-com.proxy.library.uu.nl/journals/jama/fullarticle/2763950?guestAccessKey=92d12374-e06c-4a0c-8f07-09d4c679b321&utm_source=silverchair&utm_medium=email&utm_campaign=article_alert-jama&utm_content=olf&utm_term=032720
3.  Butler J, Usman MS, Khan MS, Greene SJ, Friede T, Vaduganathan M, et al. Efficacy and safety of SGLT2 inhibitors in heart failure: systematic review and meta‐analysis. Esc Hear Fail. 2020;7(6):3298–309.
4.  Anker SD, Butler J, Filippatos G, Ferreira JP, Bocchi E, Böhm M, et al. Empagliflozin in Heart Failure with a Preserved Ejection Fraction. New Engl J Med. 2021;
5.  Sano M, Goto S. Possible Mechanism of Hematocrit Elevation by Sodium Glucose Cotransporter 2 Inhibitors and Associated Beneficial Renal and Cardiovascular Effects. Circulation. 2019;139(17):1985–7.
6.  Verma S, McMurray JJV. SGLT2 inhibitors and mechanisms of cardiovascular benefit: a state-of-the-art review. Diabetologia [Internet]. 2018 Aug 23;61(10):1–10. Available from: https://link.springer.com/content/pdf/10.1007%2Fs00125-018-4670-7.pdf
7.  Seferović PM, Fragasso G, Petrie M, Mullens W, Ferrari R, Thum T, et al. Sodium–glucose co‐transporter 2 inhibitors in heart failure: beyond glycaemic control. A position paper of the Heart Failure Association of the European Society of Cardiology. Eur J Heart Fail. 2020;22(9):1495–503.


mRNA vaccins lijken heel snel ontwikkeld te zijn, toch heeft het best lang geduurd voordat de mRNA vaccins veilig gebruikt kunnen worden. De eerste fundamentele onderzoeken naar de werking van de mRNA vaccins zijn gestart in 1987 en pas in 2018 wist men eigenlijk hoe men optimaal een mRNA vaccin kon maken en gebruiken in mensen.  In deze apothekerspodcast leg ik uit hoe de mRNA vaccins zijn ontstaan.

Literatuur


1.  Wolff JA, Malone RW, Williams P, Chong W, Acsadi G, Jani A, et al. Direct Gene Transfer into Mouse Muscle in Vivo. Science. 1990;247(4949):1465–8.
2.  Ulmer JB, Donnelly JJ, Parker SE, Rhodes GH, Felgner PL, Dwarki VJ, et al. Heterologous Protection Against Influenza by Injection of DNA Encoding a Viral Protein. Science. 1993;259(5102):1745–9.
3.  Karikó K, Buckstein M, Ni H, Weissman D. Suppression of RNA Recognition by Toll-like Receptors: The Impact of Nucleoside Modification and the Evolutionary Origin of RNA. Immunity. 2005;23(2):165–75.
4.  Karikó K, Muramatsu H, Welsh FA, Ludwig J, Kato H, Akira S, et al. Incorporation of Pseudouridine Into mRNA Yields Superior Nonimmunogenic Vector With Increased Translational Capacity and Biological Stability. Mol Ther. 2008;16(11):1833–40.
5.  Anderson BR, Muramatsu H, Nallagatla SR, Bevilacqua PC, Sansing LH, Weissman D, et al. Incorporation of pseudouridine into mRNA enhances translation by diminishing PKR activation. Nucleic Acids Res. 2010;38(17):5884–92.
6.  Sahin U, Karikó K, Türeci Ö. mRNA-based therapeutics — developing a new class of drugs. Nat Rev Drug Discov. 2014;13(10):759–80.
7.  Bahl K, Senn JJ, Yuzhakov O, Bulychev A, Brito LA, Hassett KJ, et al. Preclinical and Clinical Demonstration of Immunogenicity by mRNA Vaccines against H10N8 and H7N9 Influenza Viruses. Mol Ther. 2017;25(6):1316–27.
8.  Pardi N, Hogan MJ, Naradikian MS, Parkhouse K, Cain DW, Jones L, et al. Nucleoside-modified mRNA vaccines induce potent T follicular helper and germinal center B cell responses. J Exp Medicine. 2018;215(6):1571–88.
9.  Pardi N, Hogan MJ, Porter FW, Weissman D. mRNA vaccines — a new era in vaccinology. Nat Rev Drug Discov. 2018;17(4):261–79.
10.  Stuart LM. In Gratitude for mRNA Vaccines. New Engl J Med. 2021;385(15):1436–8.
11.  Dolgin E. The tangled history of mRNA vaccines. Nature. 2021;597(7876):318–24.


Voor meer informatie of DNA

https://www.youtube.com/watch?v=JQIwwJqF5D0


Voor meer informatie over het Immuun systeem

https://www.youtube.com/watch?v=rp7T4IItbtM





In deze aflevering bespreek ik hoe de werking van nicotine in de hersenen is en waarom het verslavend is, tevens komt er een nieuw inzicht ter sprake over de werking van nicotine op de microglia. Microglia zijn cellen die de zenuwcellen van de hersenen onderhouden en allerlei functie hebben en die door nicotine beïnvloed worden. Het lijkt erop dat adolescenten en jong volwassenen gevoeliger zijn voor de verslavende effecten van roken en ook dat roken in de hersenen van pubers meer potentiële schade kan aanrichten.
Medicatie bij stoppen met roken wordt besproken, nicotine vervangende middelen, nortiptyline, bupropion, varenicline en ten slotte wordt er kort ingegaan op cytisine en het gevaar van e-sigaretten en vaping wordt besproken. Met name het risico op E-cigarette of Vaping Associated Lung Injury (EVALI).

Literatuur
1.  Overbeek DL, Kass AP, Chiel LE, Boyer EW, Casey AMH. A review of toxic effects of electronic cigarettes/vaping in adolescents and young adults. Crit Rev Toxicol. 2020;50(6):1–8.
2.  Gotti C, Clementi F. CYTISINE AND CYTISINE DERIVATIVES. MORE THAN SMOKING CESSATION AIDS. Pharmacol Res. 2021;170:105700.
3.  Wang TW, Gentzke AS, Neff LJ, Glidden EV, Jamal A, Park-Lee E, et al. Disposable E-Cigarette Use among U.S. Youth — An Emerging Public Health Challenge. New Engl J Med. 2021;384(16):1573–6.
4.  Mahajan SD, Homish GG, Quisenberry A. Multifactorial Etiology of Adolescent Nicotine Addiction: A Review of the Neurobiology of Nicotine Addiction and Its Implications for Smoking Cessation Pharmacotherapy. Frontiers Public Heal. 2021;9:664748.

5. NHG standaard stoppen met roken, https://richtlijnen.nhg.org/behandelrichtlijnen/stoppen-met-roken, geraadpleegd op 30-10-2021.

6. https://en.wikipedia.org/wiki/Bronchiolitis_obliterans


Karin Janssen is huisarts en kaderarts longen, dat betekent dat ze een tweejarige opleiding heeft gedaan om zich te verdiepen in longaandoeningen. In dit interview bespreken we de invloed van roken op de longen en benadrukken dat het belangrijk is om te stoppen met roken. Als u wilt stoppen, praat er dan over met uw huisarts, hij of zij kan u helpen met stoppen. Schaam je niet als je een terugval hebt, dit komt heel erg vaak voor, blijf positief en probeer het  nog een keer. 

Dennis vertelt openhartig hoe hij jarenlang rookte, zeker een pakje per dag en hoe hij is gestopt. Ik hoop dat het verhaal van Dennis een inspiratiebron is voor anderen die willen stoppen met roken. Het gaat u lukken!

Veel luisterplezier

Gast Maurits van der Veen is cardioloog in Ziekenhuis Gelderse Vallei en is erg actief om mensen aan te sporen om te stoppen met roken. Hij dot dat in zijn dagelijkse werkzaamheden, maar ook op landelijk niveau. Hij zit in een actieclub die stoppen met roken op de landelijke politieke agenda probeert te krijgen en hij vind dat alle dokters stoppen met roken zouden moeten adviseren aan hun patiënten. In de podcast spreken we over een aantal linkjes die we hebben opgenomen in deze show notes.

Informatie op de website van het Trimbos instituut: https://www.trimbos.nl/kennis/roken-tabak

Is een referentie naar de Guideline Prevention in CVD van de ESC (European Society of Cardiology): https://www.escardio.org/Guidelines/Clinical-Practice-Guidelines/2021-ESC-Guidelines-on-cardiovascular-disease-prevention-in-clinical-practice

De Podcast met Marcel Levi: https://open.spotify.com/episode/2jgUiS5nX8zl7jjHdM0tBw?si=ak8CNZkbRRSBD2VpzNwaUA&dl_branch=1

Scholing voor professionals "Very Brief Advice": https://www.pfizer.nl/nascholing/very-brief-advice-leven-redden-30-seconden?cmp=009bf139-bd74-4b15-9005-affa1994592d&ttype=BA  NB: wij hebben GEEN belangenconflict!!


Trigeminus Neuralgie (TN) of aangezichtspijn is een zeer nare aandoening die gepaard gaat met pijnscheuten in het gedeelte van het gezicht dat wordt aangestuurd door de trigeminus zenuw. De pijn wordt soms omschreven als “shock”, pijnscheuten duren kort <1 s tot 2 minuten en komen aanvalsgewijs voor. Ze worden vaak uitgelokt door aanraking van het gezicht, maar ook door spreken of kauwen of tandenpoetsen. Trigeminus neuralgie kan worden behandeld met geneesmiddelen en via chirurgie. Carbamazepine en oxcarbazepine zijn de twee geneesmiddelen die het meest gebruikt worden bij de behandeling van TN. Ongeveer 90% van de mensen merkt verbetering na gebruik van carbamazepine, helaas valt ook ongeveer 40% van de mensen uit als gevolg van bijwerkingen. Er wordt gewerkt aan geneesmiddelen die het Nav 1.7 kanaal remmen (dit is een kanaal dat de natriumstroom verzorgt) en hiervan verwacht men goede resultaten.(1–3)

Literatuur

1.  Stefano GD, Truini A, Cruccu G. Current and Innovative Pharmacological Options to Treat Typical and Atypical Trigeminal Neuralgia. Drugs. 2018;78(14):1433–42.
2.  Lambru G, Zakrzewska J, Matharu M. Trigeminal neuralgia: a practical guide. Pract Neurology. 2021;pract. neurol-2020-002782.
3.  Cruccu G, Stefano GD, Truini A. Trigeminal Neuralgia. New Engl J Med. 2020;383(8):754–62.


In deze apothekerspodcast wordt er uitgelegd hoe u kunt afwegen of een geneesmiddel iets is voor u of niet. Daarbij is het belangrijk om goed te snappen wat de absolute risico afname is van een geneesmiddel. Deze absolute risicoafname wordt weergegeven in het Number Needed to Treat (NNT) en wordt afgewogen tegen het Number Needed to Harm (NNH). Dat laatste getal geeft aan in hoeverre een geneesmiddel bijwerkingen geeft. Ook is het belangrijk om uzelf af te vragen of u tot dezelfde populatie behoort als de populatie die in de studies naar zo'n geneesmiddel zijn gebruikt. Bent u een gezonde persoon die niet rookt, drinkt, veel beweegt en gezonde voeding eet en hebben er in de studie mensen met overgewicht, diabetes, slechte voedingsgewoonten en veel rokers meegedaan, dan is de winst van een geneesmiddel bij u misschien wel heel anders en kunt u de studieresultaten niet zomaar naar uzelf extrapoleren. Via de volgende websites kunt u meer te weten komen over uw risico op hart- en vaatziekten en over het NNT en het NNH en of een geneesmiddel positief of negatief werkt.
www.u-prevent.com
www.thnnnt.com

Literatuur
1.  Legemate DA, Koelemay MJW, Ubbink DT. [Number unnecessarily treated in relation to harm: a concept physicians and patients need to understand]. Ned Tijdschr Genees. 2016;160:D513.


Opioiden werken op de lichaamseigen opiaatreceptoren. Opiaten worden gebruikt als stap (3) en 4 op de WHO pijnschaal. Er zijn sterkwerkende en zwakwerkende opioiden. De zwakwerkende opioiden zijn tramadol, tapentadol en buprenorfine. De sterwerkende opioiden zijn morfine, fentanyl, oxycodon, hydromorfon en methadon. Codeine werd vroeger nog wel eens gebruikt, maar heeft geen goede pijnstilling (of juist teveel) en geeft wel bijwerkingen. Ook bij tramadol komen veel bijwerkingen voor, vooral bij ouderen. Een interessant fenomeen is de Opioid Geinduceerde Hyperalgesie, waarbij mensen langzamerhand steeds meer opioiden gaan gebruiken. Het idee is dat opioiden de pijnpaden in het lichaam kunnen veranderen, waardoor iemand meer pijn voelt en daardoor steeds meer opioiden nodig heeft, waardoor de pijnpaden verder veranderen en de patiënt in een vicieuze cirkel belandt. 
Literatuur:
1. Lee M, Silverman SM, Hansen H, Patel VB, Manchikanti L. A comprehensive review of opioid-induced hyperalgesia. Pain Physician. 2011;14(2):145–61.


NSAID staat voor Non Steroidal Anti Inflammaroty Drug, het is een pijnstiller met ontstekingsremmende eigenschappen. NSAIDs worden veel gebruikt en er is veel ervaring mee opgedaan, ze kunnen zonder recept gekocht worden. Toch zijn NSAIDs niet geheel zonder risico te gebruikten. Via remming van het enzym cyclooxygenase (COX) remmen NSAIDs de vorming van prostaglandinen (PG). PG zorgen oa voor pijnmodulatie, maar beïnvloeden ook de doorbloeding van de nier en de aanmaak van de beschermende slijmlaag van de maag. Ze kunnen dus acute nierschade veroorzaken, maar ook maagbloedingen. Daarnaast kunnen NSAIDs ook het risico op hart- en vaatziekten  (HVZ) verhogen. COX1 selectieve NSAIDs zorgen voor meer maagbloedingen, terwijl COX2 selectieve NSAIDs juist meer HVZ veroorzaken. Het is dus een afweging die gemaakt moet worden in de keuze voor een NSAID. De dosering moet zo laag mogelijk en het gebruik zo kort mogelijk gehouden worden. Bij langdurig gebruik dient iemand onder controle te staan (oa bloeddruk). In deze apothekerspodcast gaan we dieper in op de voors en tegens van NSAIDs

Paracetamol is de eerst keus pijnstiller die gebruikt kan worden. Paracetamol is een veilig middel, mits op de juiste manier gebruikt. Bij korter dan 1 maand kan de dosering tot 4 gram worden aangehouden, maar bij langduriger gebruik of bij de aanwezigheid van risicofactoren moet de dosering lager zijn. In deze apothekerspodcast meer over de juiste manier van dosering bij paracetamol.

In deze apothekerspodcast hebben we het over RLS. Dit is een aandoening die gepaard gaat met een enorme drang tot bewegen van de benen, deze aandrang treedt op in rust en speelt vooral op tijdens de avond en nacht. RLS wordt behandeld met geneesmiddelen, maar recente inzichten tonen aan dat ijzergebrek in de hersenen een belangrijke rol speelt bij RLS en dat het belangrijk is om bij RLS ervoor te zorgen dat de ferritine concentratie boven de 50 microgram per liter blijft. Geneesmiddelen die gebruikt worden zijn dopamine agonisten (pramipexol, rotigotide en ropinirol), echter men denkt dat deze middelen gepaard gaan met het frequenter optreden van augmentatie, waardoor de symptomen van RLS eerder optreden en heftiger optreden. Gabapentine en pregabaline kunnen ook gebruikt worden bij RLS, maar zijn hiervoor in Nederland niet geregistreerd, maar zouden off label kunnen worden toegepast. 

Literatuur
1.  Garcia-Borreguero D, Cano-Pumarega I. New concepts in the management of restless legs syndrome. Bmj. 2017 Feb 27;j104-14.
2.  Garcia-Malo C, Romero-Peralta S, Cano-Pumarega I. Restless Legs Syndrome. Clinical Features. Sleep Medicine Clin. 2021;16(2):233–47.
3.  Guo S, Huang J, Jiang H, Han C, Li J, Xu X, et al. Restless Legs Syndrome: From 

Nederland ken ruim 2 miljoen gebruikers van maagzuurremmers, is dat niet heel veel? Zijn er geen mensen die kunnen stoppen met maagzuurremmers en als je wilt stoppen, kan je dat zomaar doen? Hoe bouw je maagzuurremmers het beste af? Welke maagzuurremmers zijn er eigenlijk? In deze apotekerspodcast wordt dit allemaal uitgelegd.

Gebruikte literatuur:
1.  Islam MdM, Poly TN, Walther BA, Dubey NK, Ningrum DNA, Shabbir S-A, et al. Adverse outcomes of long-term use of proton pump inhibitors. Eur J Gastroen Hepat. 2018;30(12):1395–405.
2.  Gomm W, Holt K von, Thomé F, Broich K, Maier W, Fink A, et al. Association of Proton Pump Inhibitors With Risk of Dementia. JAMA Neurology. 2016 Apr 1;73(4):410–7.
3.  Lyu B, Hansen KE, Jorgenson MR, Astor BC. Associations between Proton Pump Inhibitor and Histamine-2 Receptor Antagonist and Bone Mineral Density among Kidney Transplant Recipients. American Journal of Nephrology [Internet]. 2020 Jun 24;51(6):433–41. Available from: https://www-karger-com.proxy.library.uu.nl/Article/Pdf/507470
4.  Ben‐Eltriki M, Green CJ, Maclure M, Musini V, Bassett KL, Wright JM. Do proton pump inhibitors increase mortality? A systematic review and in‐depth analysis of the evidence. Pharmacol Res Perspectives. 2020;8(5):e00651.
5.  Kuller LH. Do Proton Pump Inhibitors Increase the Risk of Dementia? JAMA Neurology. 2016 Apr;73(4):379–81.
6.  Xie Y, Bowe B, Yan Y, Xian H, Li T, Al-Aly Z. Estimates of all cause mortality and cause specific mortality associated with proton pump inhibitors among US veterans: cohort study. Bmj. 2019;365:l1580.
7.  Willems RPJ, Dijk K van, Ket JCF, Vandenbroucke-Grauls CMJE. Evaluation of the Association Between Gastric Acid Suppression and Risk of Intestinal Colonization With Multidrug-Resistant Microorganisms. Jama Intern Med. 2020;180(4):561–71.
8.  Willems RPJ, Dijk K van, Ket JCF, Vandenbroucke-Grauls CMJE. Evaluation of the Association Between Gastric Acid Suppression and Risk of Intestinal Colonization With Multidrug-Resistant Microorganisms. JAMA Internal Medicine. 2020 Apr 1;180(4):561–11.
9.  Ford CD, Lopansri BK, Haydoura S, Snow G, Dascomb KK, Asch J, et al. Frequency, Risk Factors, and Outcomes of Vancomycin-Resistant EnterococcusColonization and Infection in Patients with Newly Diagnosed Acute Leukemia: Different Patterns in Patients with Acute Myelogenous and Acute Lymphoblastic Leukemia. Infection Control & Hospital Epidemiology. 2015 Jan 5;36(1):47–53.
10.  Singh-Franco D, Mastropietro DR, Metzner M, Dressler MD, Fares A, Johnson M, et al. Impact of pharmacy-supported interventions on proportion of patients receiving non-indicated acid suppressive therapy upon discharge: A systematic review and meta-analysis. Plos One. 2020;15(12):e0243134.
11.  D’Silva KM, Mehta R, Mitchell M, Lee TC, Singhal V, Wilson MG, et al. Proton pump inhibitor use and risk for recurrent Clostridioides difficile infection: A systematic review & meta-analysis. Clin Microbiol Infec. 2021;27(5):697–703.
12.  Lazarus B, Chen Y, Wilson FP, Sang Y, Chang AR, Coresh J, et al. Proton Pump Inhibitor Use and the Risk of Chronic Kidney Disease. Jama Intern Med. 2016;176(2):238–46.
13.  Srinutta T, Chewcharat A, Takkavatakarn K, Praditpornsilpa K, Eiam-Ong S, Jaber BL, et al. Proton pump inhibitors and hypomagnesemia: A meta-analysis of observational studies. Medicine. 2019;98(44):e17788.
14.  Orelio CC, Heus P, Dieren JJK, Spijker R, Munster BC van, Hooft L. Reducing Inappropriate Proton Pump Inhibitors Use for Stress Ulcer Prophylaxis in Hospitalized Patients: Systematic Review of De-Implementation Studies. J Gen Intern Med. 2021;1–9.
15.  Tran‐Duy A, Connell NJ, Vanmolkot FH, Souverein PC, Wit NJ, Stehouwer CDA, et al. Use of proton pump inhibitors and risk of iron deficiency: a population‐based case–control&

In deze podcast wil ik de maatschappelijke discussie rondom het wisselen van geneesmiddelen op voorschrift van zorgverzekeraars aanvullen met een aantal waarnemingen die ik heb gedaan als apotheker. Ik zie dat er al heel veel mensen zijn gewisseld van geneesmiddel en dat er een kleine groep mensen overblijft voor wie wisselen heel eng is en mogelijk ook nadelen geeft. In deze apothekerspodcast benoem ik een aantal problemen, zoals het gebrek aan vertrouwen in geneesmiddelen, de toename in het aantal consulten bij huisarts en specialist over de wisseling van die geneesmiddelen en de toename in het aantal metingen om te evalueren of die geneesmiddelen niet nadelig zijn voor deze groep patiënten. Verder belicht ik het morele dilemma wat er ontstaat bij mij als apotheker als ik een afweging moet maken tussen een financieel argument en een het belang van de patiënt. Tenslotte geef ik aan hoe ik denk dat het ook anders kan en waarbij er een systeem ontstaat waarbij er toch veel bespaard kan worden.

Antidepressiva moeten nooit abrupt gestaakt worden, maar worden afgebouwd, in verband met het optreden van onttrekkingsverschijnselen. In deze afleverin gaan we in op die onttrekkingsverschijnselen. U kunt deze onthouden aan de afkorting FINISH (Flu-like symptoms, Insomnia, Nausea, Imbalance, Sensory disturbance, Hyperarousal). Ze kunnen ernstig of minder ernstig verlopen, maar ook met veel of weinig symptomen. Bij de aanwezigheid van risicofactoren moet langzaam worden afgebouwd, zonder risicofactoren kan er sneller (in 2 weken) worden afgebouwd. Dat laatste is wel afhankelijk van de dosering. Er is een goed consensusdocument opgesteld over het afbouwen van SSRI's en SNRI's, de link daar naartoe vindt u hieronder.
https://www.knmp.nl/downloads/multidisciplinair-document-2018afbouwen-ssri2019s-snri2019s2019.pdf

In deze aflevering meer informatie over het serotoninesyndroom. Dit syndroom kenmerkt zich door een veranderde mentale status, autonome overactiviteit en neuromusculaire abnormaliteiten. Het komt voor in milde vorm, maar ook in ernstige vorm, de ernstige vorm heeft een hoge mortaliteit. Centraal staan de symptomen: zweten, versnelde hartslag, toegenomen darmgeluiden, diarree, agitatie, spiertrekkingen, tremoren, vooral in de onderste extremiteiten (benen en armen). Er is een verhoogde kans op het serotoninesyndroom bij overdosering van het SSRI (vaak als gevolg van een bewuste intoxicatie), een combinatie met andere serotonerg werkende geneesmiddelen of door de combinatie met (designer) drugs als MDMA (XTC), LSD, 3-MMC (Poes). Het syndroom ontstaat snel, dus het is belangrijk om hulp te zoeken van een arts als u het vermoeden heeft van een serotoninesyndroom.

Literatuur:
1. Boyer EW, Shannon M. The Serotonin Syndrome. New Engl J Medicine. 2005;352(11):1112–20.

Er zijn verschillende soorten antidepressiva, in deze podcast wordt vooral aandacht besteed aan de meest gebruikte middelen, de SSRI's en de TCA's. De verschillende criteria waarop er gekozen kan worden voor het ene dan wel het andere soort SSRI worden  besproken.

Het microbioom bevat alle bacteriën in onze darmen. Deze bacteriën hebben een hele nuttige functie, ze maken bepaalde vitamines aan, ze produceren nuttige stoffen, ze produceren neurotransmitters, ze helpen met de vertering van ons voedsel en ze helpen met het in stand houden van de barrière van het maagdarm kanaal en hebben ook invloed op ons immuun systeem. Het maagdarm kanaal kan ook communiceren met de hersenen en kan daar zowel een positieve (in de gezonde situatie) als negatieve invloeden uitoefenen (zoals bij depressie). In deze apothekerspodcast wordt uitgelegd hoe men denkt dat veranderingen in het microbioom kunnen leiden tot depressie.

Geraadpleegde literatuur
1.  Du Y, Gao X-R, Peng L, Ge J-F. Crosstalk between the microbiota-gut-brain axis and depression. Heliyon. 2020;6(6):e04097.
2.  Capuco A, Urits I, Hasoon J, Chun R, Gerald B, Wang JK, et al. Gut Microbiome Dysbiosis and Depression: a Comprehensive Review. Curr Pain Headache R. 2020;24(7):36.
3.  Carlessi AS, Borba LA, Zugno AI, Quevedo J, Réus GZ. Gut microbiota–brain axis in depression: The role of neuroinflammation. Eur J Neurosci. 2021;53(1):222–35.
4.  Belmaker RH, Agam G. Major Depressive Disorder. New Engl J Medicine. 2008;358(1):55–68.
5.  Łoniewski I, Misera A, Skonieczna-Żydecka K, Kaczmarczyk M, Kaźmierczak-Siedlecka K, Misiak B, et al. Major Depressive Disorder and gut microbiota – Association not causation. A scoping review. Prog Neuro-psychopharmacology Biological Psychiatry. 2020;106:110111.
6.  Li Z, Ruan M, Chen J, Fang Y. Major Depressive Disorder: Advances in Neuroscience Research and Translational Applications. Neurosci Bull. 2021;1–18.
7.  Jia X, Gao Z, Hu H. Microglia in depression: current perspectives. Sci China Life Sci. 2020;1–15.
8.  Liang S, Wu X, Hu X, Wang T, Jin F. Recognizing Depression from the Microbiota–Gut–Brain Axis. Int J Mol Sci. 2018;19(6):1592.
9.  Ren F, Guo R. Synaptic Microenvironment in Depressive Disorder: Insights from Synaptic Plasticity. Neuropsych Dis Treat. 2021;Volume 17:157–65.
10.  Petralia MC, Mazzon E, Fagone P, Basile MS, Lenzo V, Quattropani MC, et al. The cytokine network in the pathogenesis of major depressive disorder. Close to translation? Autoimmun Rev. 2020;19(5):102504.
11.  Rudzki L, Maes M. The Microbiota-Gut-Immune-Glia (MGIG) Axis in Major Depression. Mol Neurobiol. 2020;57(10):4269–95.


De mono amine deficiëntie hypothese kan niet verklaren waarom het 4-6 weken duurt voor antidepressiva gaan werken. Men is daarom op zoek naar een andere verklaring. Deze wordt gevonden in de dysregulatie van de HPA-as (Hypothalamus-Hypofyse-Bijnier-as). Door dysregulatie komt er meer cortisol vrij en cortisol is onvoldoende instaat om zijn eigen afgifte te remmen, hierdoor komt er meer cortisol in het limbisch systeem. Het limbisch systeem is bevat veel receptoren voor glucocorticoiden en men vindt in personen met depressie dat er minder volume van de hippocampus is. Er is een andere speler, namelijk Serum Glucocoticoid regulated Kinase 1 (SGK1) die een belangrijke rol speelt. SGK1 is meer actief in depressieve personen en zorgt dat de glucocorticoid receptor samen met het FKBP5 eiwit sterker geforsforyleerd (=geactiveerd) wordt en zich daardoor sterker naar de celkern verplaatst waar het samen met een onbekende co-repressor de aanmaak van Brain Derived Neurotrofic Factor (BDNF) remt. BDNF is een neurotrofine en "verzorgt"  de zenuwen. Een tekort aan BDNF zorgt voor verminderde groei, differentiatie en neuroplasticiteit. Daarnaast verzorgt BDNF ook de gliacellen en kan het de uitstoot van pro-inflammatoire cytokinen remmen. Dus door een gebrek aan BDNF in de hippcampus kan er neuroinflammatie en atrofie ontstaan, waardoor men denkt dat er depressie ontstaat. Het herstel van deze staat door een verhoging van BDNF in de hippocampus kost tijd en daardoor verklaart men waarom het 4-6 weken duurt voordat antidepressiva gaan werken. Enkele interessante artikelen die ik hiervoor heb geraadpleegt vind u hieronder:

Literatuur:
1.  Carniel BP, Rocha NS da. Brain-derived neurotrophic factor (BDNF) and inflammatory markers: Perspectives for the management of depression. Prog Neuro-psychopharmacology Biological Psychiatry. 2020;108:110151.
2.  Belmaker RH, Agam G. Major Depressive Disorder. New Engl J Medicine. 2008;358(1):55–68.
3.  Notaras M, Buuse M van den. Neurobiology of BDNF in fear memory, sensitivity to stress, and stress-related disorders. Mol Psychiatr. 2020;25(10):2251–74.
4.  Ren F, Guo R. Synaptic Microenvironment in Depressive Disorder: Insights from Synaptic Plasticity. Neuropsych Dis Treat. 2021;Volume 17:157–65.
5.  Petralia MC, Mazzon E, Fagone P, Basile MS, Lenzo V, Quattropani MC, et al. The cytokine network in the pathogenesis of major depressive disorder. Close to translation? Autoimmun Rev. 2020;19(5):102504.
6.  Dattilo V, Amato R, Perrotti N, Gennarelli M. The Emerging Role of SGK1 (Serum- and Glucocorticoid-Regulated Kinase 1) in Major Depressive Disorder: Hypothesis and Mechanisms. Frontiers Genetics. 2020;11:826.
7.  Rana T, Behl T, Sehgal A, Srivastava P, Bungau S. Unfolding the Role of BDNF as a Biomarker for Treatment of Depression. J Mol Neurosci. 2020;1–14.


In deze aflevering maakt u kennis met een aantal basisbegrippen die belangrijk zijn voor de podcasts over depressie die op deze podcast zullen volgen. Besproken wordt de epidemiologie van depressie (hoe vaak komt het voor, wat zijn de risicofactoren), wat is het beloop en wat zijn de kernsymptomen. Deze kunt u nalezen in de NHG standaard depressie (https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/depressie#samenvatting). Vervolgens worden er een aantal kernbegrippen geïntroduceerd, zoals de synaps, neuroplasticiteit, gliacellen, Long Term Potentioation, Long term Depression. De belangrijke hersengebieden die betrokken zijn bij depressie worden besproken, dit zijn de prefrontale cortex, de amygdala, de hippocampus en de thalamus. Tenslotte wordt de klassieke Mono Amine Deficiency Theory besproken, waarin wordt uitgegaan dat depressie wordt veroorzaakt door een tekort aan de monoamine neurotransmitters serotonine, noradrenaline en dopamine. Deze theorie blijkt echter een aantal gebreken te hebben en recent zijn er nieuwe theorieën ontstaan die het ontstaan van depressie proberen te verklaren vanuit de fysiologie. In de komende serie apothekerspodcasts zullen we hier verder op inzoomen.

Naar schatting hebben ongeveer 500.000 mensen in Nederland medicatie overgebruik hoofdpijn (MOH), dat is ca 3% van de bevolking. Hierbij verandert de oorspronkelijke hoofdpijn (meestal migraine) door overmatig gebruik van medicatie in chronische dagelijkse hoofdpijn. De migraine is dus van karakter verandert door het te vroeg gebruik van het medicijn of door het innemen van het medicijn tegen migraine uit voorzorg (om toch maar naar het werk te gaan bijvoorbeeld). Ook gewone pijnstillers al paracetamol en NSAID's kunnen MOH veroorzaken. De enige remedie hiertegen is radicaal stoppen met de hoofdpijn medicatie. 

In deze apothekerspodcast gaat het over diabetypering ofwel subtypering van diabetes type 2. Anne-Margreeth Krijger heeft hier onderzoek naar gedaan en merkte dat de glucosespiegel eigenlijk geen goede maat is om diabetes te kenmerken. Zij bedacht samen met TNO en naar aanleiding van een publicatie in the Lancet van Alquist et al. in 2018 dat er verschillende typen diabetes bestaan. Belangrijk is hierbij de hoeveelheid insuline die er aanwezig is. Er zijn mensen met hoge glucose spiegels en een lage insuline spiegel (deze produceren onvoldoende insuline) en mensen met een hoge glucose spiegel en een hoge insuline spiegel (insuline wordt dus kennelijk wel voldoende geproduceerd, maar werkt niet voldoende, er is sprake van insulineresistentie). Ook de gevolgen van een hoge insulinespiegel zijn anders dan die bij een lage insuline spiegel. Anne-Margreeth sluit af met een discussiestuk om naast de standaard metingen die gedaan worden om diabetes vast te stellen hieraan de meting van het nuchter insuline wordt toegevoegd en om bij een beperkt aantal personen een orale glucose tolerantie test te doen.   
Voor vragen: harmgeers@gmail.com 

Slaap en kalmeringsmiddelen de zogenaamde benzodiazepinen worden heel veel gebruikt. Het zijn middelen die voor de korte termijn angst en of slapeloosheid goed kunnen onderdrukken, maar zeker geen lange termijn oplossing zijn. Op termijn treedt tolerantie op en ook lichamelijke gewenning aan deze middelen. Door tolerantie zijn mensen vaak geneigd een hogere dosering te nemen en raken ze in een vicieuze cirkel. Benzodiazepinen kunnen bij langdurig gebruik niet acuut gestopt worden, maar moeten altijd worden afgebouwd. Dit kan door over te stappen op een middel met een lange werkingsduur, zoals diazepam en dan langzaam in 6-12 weken af te bouwen. De apotheker en de (huis)arts kunnen u daarbij helpen. 

Geneesmiddelen bevatten naast de werkzame stof ook hulpstoffen. Hulpstoffen worden vaak in verband gebracht met veronderstelde bijwerkingen, maar hulpstoffen veroorzaken maar weinig bijwerkingen in de praktijk. In deze podcast bespreek ik welke soorten hulpstoffen zoals voorkomen en wat hun functie is. Uw apotheker kan samen met u nakijken welke hulpstoffen er in uw tabletten zitten en kan ook kijken welke verschillen er in hulpstoffen tussen twee verschillende geneesmiddel merken zitten. Dit kan u meer vertrouwen geven in het nieuwe merk als u wisselt van geneesmiddel. 

Er is veel ophef over het Astra Zeneca vaccin in verband met mogelijk verhoogde kans op trombose? Veel mensen willen geen vaccin meer van Astra Zeneca. Hoe beslissen mensen dit? Is dit logisch? Nemen wij wel de juiste beslissing. Door te weten waar wij het risico overschatten (kleine kansen) en waar we het risico juist onderschatten (bij grote kansen), kunnen we rekening houden met het beslissen over het vaccin. Het is in deze podcast niet mijn doel om een volledig adequate berekening van het risico op trombose weer te geven, ik heb deze gemaakt op basis van een paar krantenartikelen, maar ik denk dat het niet veel afwijkt van het werkelijke risico. 

Tijdens intercurrente ziekten (koorts, braken, diarree) of bij een hoge omgevingstemperatuur neemt het risico op uitdroging toe. De nier wordt dan minder goed doorbloed en de nierfunctie kan dan plotseling afnemen. Dit is vooral een risico bij mensen die al een verminderde nierfunctie hebben. Bovendien gebruiken mensen met een verminderde nierfunctie vaak medicatie (denk aan ACE remmers -prillen- en ARB's -sartanen-) die de druk in de  nier verlagen. In combinatie met (dreigende) uitdroging kan de druk zoveel dalen dat er acute nierschade ontstaat. In deze aflevering gaan we het hebben over wat te doen tijdens intercurrente ziekten bij mensen met chronische nierschade. Let op dat dit altijd maatwerk is en u altijd eerst medisch advies inwint bij uw eigen professional voor u actie onderneemt. 

In deze podcast wordt de indeling van chronische nierschade (CNS) uitgelegd en wordt verteld wat de risicofactoren zijn voor CNS. Er wordt uitgelegd wat mensen zelf kunnen doen om verdere nierschade te beperken en om dit te voorkomen. 

In deze podcastserie over de nieren gaat het ver de glomerulaire filtratie snelheid (GFR) en hoe deze bepaald wordt. Er zijn verschillende zaken de de GFR beïnvloeden, te weten de spiermassa, extern ingenomen kreatinine, tubulaire secretie van kreatinine. Verder wordt de GFR bepaald door de druk als gevolg van eiwitten in het bloedplasma (de oncotische druk) en de druk die ontstaat in de glomerulus als gevolg van de hydrostatische druk. De hydrostatische druk kan beïnvloed worden door veranderingen in de diameter van het aanvoerende vat (afferente arteriole) en het afvoerende vat (efferente arteriole) van de glomerulus. Geneesmiddelen kunnen deze diameter aan beide kanten van de glomerulus beïnvloeden. 

De nieren hebben een aantal belangrijke functies in het lichaam, deze podcast is een onderdeel van 4 podcasts over de nieren en het geneesmiddel. In deze podcast de inleiding over de functies van de nieren.  De volgende podcasts gaan over de filtratie functie van de niet, daarna gaat het over chronische nierschade en de laatste podcast over de nieren zal gaan over het gebruik van geneesmiddelen bij chronische nierschade. 
In deze podcast worden de functies van de nieren besproken, dit zijn (1) de uitscheiding van afvalstoffen, (2) de productie en uitscheiding van bepaalde hormonen, (3) metabole functies van de nier en als laatste het op pijl jouden van het bloedvolume (eigenlijk van het extracellulaire volume). De functionele eenheid van de niet is het nefron dat bestaat uit de glomerulus, proximale tubulus, lis van Henle, distale tubulus en de verzamelbuisjes. De functies van deze segmenten worden achtereenvolgens kort besproken.

Na een hartinfarct wordt veel medicatie voorgeschreven, maar waarom wordt deze medicatie nu precies gebruikt? Eén van de veel gebruikt middelen na een hartinfarct is een bloedplaatjesremmer, of zelfs dubbele bloedplaatjesremming, waarom wordt dat toegepast en hoe lang moet dit gebruikt worden? Kunnen er ook drie verschillende antistollingsmiddelen gebruikt worden? U leert het allemaal in deze apothekerspodcast. 

Insulines worden gebruikt in stap 4 en 5 van de behandeling van type 2 diabetes. Het verschil tussen de verschillende insulines zit hem vooral in de verschillen in farmacokinetiek. De werking van insulines kan worden gemanipuleerd door verschillende aminozuren in de eiwitketen van insuline te veranderen, hun volgorde om te wisselen of om stoffen hieraan te verbinden.  In deze apothekerpodcast een uitleg over de verschillen tussen insulines. 

DPP-4 remmers remmen het enzym DiPeptidylPeptidase-4. DPP-4 is verantwoordelijk voor de afbraak van meerdere eiwitten in het lichaam en heeft daarmee een eiwitregulerende functie. Remming van DPP-4 zorgt ervoor dat GLP-1 , maar ook GIP minder snel wordt afgebroken en daardoor langer werkt. Hierdoor wordt de insuline secretie bevordert en daalt de glucosespiegel. DPP-4 remmers geven geen hypoglykemie. DPP-4 remmers hebben een neutraal effect op het ontstaan van hart- en vaatziekten, ze verhogen het risico hierop niet, maar ze verlagen het ook niet.  

SGLT-2 remmers verlagen de sterfte in type 2 diabetes en de sterfte door hart- en vaatzieken en ze verminderen de kans op achteruitgang van de nierfunctie en de kans op terminaal nierfalen. SGLT-2 remmers verlagen de intraglomerulaire druk en verminderen de hyperfiltratie door de nier die ontstaat bij type 2 diabetes. Uit onderzoek bleek dat SGLT-2 remmers de kans op sterfte en ziekenhuisopname als gevolg van hartfalen sterker verminderen dan GLP-1 remmers. Zowel SGLT-2 remmers als GLP-1 remmers verminderen de sterfte, van GLP-1 remmers werd aangetoond dat ze de kans op beroerte weer sterker doen dalen dan SGLT-2 remmers. 

GLP-1 Agonisten stimuleren de insuline afgifte in de pancreas en verhogen het verzadigingsgevoel, waardoor er minder voedsel wordt opgenomen. GLP-1 agonisten verlagen de sterfte door hart- e vaatziekten, verminderen de daling in nierfunctie en verlagen de kans op terminaal nierfalen bij diabetische nierziekten. GLP-1 agonisten lijken qua werkingsmechanisme een beetje op sulfonylureumderivaten, maar dan net een beetje anders. GLP-1 agonisten worden geïnjecteerd in het onderhuidse vetweefsel (subcutaan) en door allerlei chmische modificaties is het gelukt om GLP-1 agonisten te maken met een langer werkingsduur, waardoor een wekelijkse injectie volstaat. 

Metformine bestaat al sinds de jaren 20 van de vorige eeuw. Het is een stof waar heel veel ervaring mee is opgedaan, maar waarvan het werkingsmechanisme eigenlijk nooit heel goed van is ontrafeld. Het blijkt dat metformine op verschillende weefsels in het lichaam effect heeft. Metformine is de eerste behandelstap bij de behandeling van diabetes sinds het verschijnen van de United Kingdom Prospective Diabetes Trial (UKPDS) studie in 1998. Bij mensen met overgewicht en nieuw gevonden diabetes die 10 jaar waren gevold, bleek dat metformine een daling gaf in de sterfte als gevolg van hart- en vaatziekten en minder gewichtstoename gaf. Vanaf dat moment wat metformine de nieuwe sterspeler in de strijd tegen diabetes type 2. Nog steeds geld dat afvallen, meer bewegen, gezond eten en stoppen met roken de allerbeste medicijnen zijn tegen type 2 diabetes. 

De tweede stap in de behandeling van diabetes type 2 zijn de sulfonyluremderivaten (SUD). SUD verminderen de microvasculaire complicaties van type 2 diabetes, maar niet de macrovasculaire complicaties. SUD geven hypoglykemie en gewichtstoename als bijwerking. Ze zijn goed koop en er is zeer veel ervaring mee opgedaan. Extra materiaal bij deze podcast kunt u vinden op YouTube: https://youtu.be/joS6hFerQw0

De behandeling van type 2 diabetes gaat volgens een stappenplan dat bestaat uit 5 stappen. In deze Podcast wordt het stappenplan besproken en wordt uitgelegd wat de doelen zijn van de behandeling van type 2 diabetes. Er worden verschillende geneesmiddelen heel kort uitgelegd, in de volgende serie podcasts zal er meet worden ingegaan op de individuele geneeesmiddelen.

Type 2 diabetes wordt veroorzaakt door een relatief tekort aan insuline of door een verminderde gevoeligheid van insuline.  De regulering van glucose in het lichaam staat onder de invloed van glucagon, adrenaline en insuline. Als gevolg van een tekort aan insuline, stijgen de bloedglucose spiegels. Deze verhoogde bloedglucose spiegels leiden tot Advanced Glycosylation Endproducts (AGE). Deze AGE zorgen voor verhoogde oxidatieve stress in het lichaam, waardoor ontstekingsreacties en verhoogde kans ontstaat op hart- en vaatziekten, nefropathie en retinopathie. De behandeling van type 2 diabetes bestaat naast geneesmiddelen vooral uit beweging, gezonde voeding en stoppen met roken. 

Een geneesmiddel werkt in het lichaam als een sleutel die op een slot past. Het slot is de receptor. Een receptor is een eiwitstructuur die een signaal teweeg brengt als deze gestimuleerd wordt. Er zijn veel verschillende receptoren die allemaal reageren op de algemene sleutel (stof) die het lichaam aanmaakt. Geneesmiddelen zijn wat meer specifieke sleutels, die het liefst maar op 1 slot werken en zo een specifieke werking hebben. In deze Apothekers Podcast wat meer uitleg over basisfarmacologie, zodat u als geneesmiddel gebruiker begrijpt waarom een geneesmiddel naast een hoofdwerking ook bijwerkingen kan hebben en waarom het belangrijk is om uw geneesmiddel dagelijks in te nemen en niet te vergeten.  

Het geneesmiddel dat wordt ingenomen maakt een hele reis door het lichaam, deze reis wordt de farmacokinetiek (farmacon=geneesmiddel, kinetiek=bewegen) genoemd. De farmacokinetiek bestaat uit het vrijkomen van het geneesmiddel, de opname, de distributie, het metabolisme en de uitscheiding van het geneesmiddel. De wisselwerking tussen geneesmiddelen kan ontstaan door beïnvloeding van elkaars metabolisme. Verder kunnen verschillende erfelijke factoren ervoor zorgen dat het geneesmiddel sneller of juist minder snel wordt omgezet. Tenslotte zorgen de nieren meestal voor de uitscheiding van het geneesmiddel. 

De niet motorische symptomen van de Ziekte van Parkinson zijn misselijkheid, REM-slaap stoornis, depressie, psychose en hallucinaties, orthostatische hypotensie (lage bloeddruk) en speekselvloed. Al deze symptomen kunnen worden behandeld met verschillende medicatie. Het is een enorme puzzel om dit goed te doen en er moet rekening gehouden worden met heel veel factoren. In deze Apothekers Podcast worden de verschillende geneesmiddelen die gebuikt kunnen worden bij deze symptomen behandeld en wordt geprobeerd om van sommige symptomen te verklaren hoe ze ontstaan en waarom de gekozen therapie daarom verstandig is. 

In deze Apothekers Podcast worden de COMT-remmers, de MAO-B remmers, Amantadine, propranolol en trihexyphenidyl besproken. De COMT-remmers entacopon, tolcapon en opicapon zorgen dat er meer levodopa beschikbaar is om opgenomen te worden in de hersenen. De MAO-B remmers rasagiline en seligiline zorgen binnen de hersenen dat dopamine niet wordt afgebroken in onwerkzame bestanddelen. Propranolol en Trihexiphenydil worden gebruikt bij tremor en Amantadine om overbeweeglijkheid (dyskinesieën) tegen te gaan. 

Bij wisselende effecten op levodopa therapie en met name als er veel "off" perioden zijn, dan kan het helpen om een dopamine agonist toe te voegen. Dopamine agonisten kunnen de off periode met 2 uur per dag gemiddeld verkorten. In deze aflevering de belangrijke zaken om op te letten bij het gebruik van dopamine agonisten 

De Ziekt van Parkinson gaat gepaard met bewegingsproblemen (stijfheid, langzaam bewegen, tremor), dit worden de motorische symptomen genoemd. Er zijn ook niet motorische symptomen (depressie, psychose, orthostase -plotselinge bloeddruk daling-, dementie en slaapproblemen). In dit eerste deel van de Apothekers Podcast gaat het over de behandeling van de bewegingsproblemen met levodopa. Levodopa is een goed onderzocht geneesmiddel, maar er zijn een paar zaken die u moet weten om het optimale voordeel te halen uit dit geneesmiddel. Deze zaken worden besproken in dit deel van de Apothekers Podcast

In deze Apothekers Podcast wordt dieper ingegaan op de preventieve medicijnen die gebruikt worden bij hartfalen, de zogenaamde onderhoudsmedicatie. Naast plastabletten, zoals in podcast nummer 4 zijn besproken, wordt er hier ingegaan op de behandeling met betablokkers, ACE remmers, angiotensien receptor blokkers en mineraal corticoid receptor antagonisten. Aanvullende informatie bij deze Apothekers Podcast is te vinden op het YouTube kanaal van de Apothekers Podcast. Zie hiervoor:
https://www.youtube.com/user/BennekomseApotheek

Hartfalen komt vaker voor bij het toenemen van de leeftijd en kan goed worden behandeld met geneesmiddelen. Hartfalen zorgt voor benauwdheid en kortademigheid en kan ook gepaard gaan met vochtophoping in het lichaam. Een van de geneesmiddelen die gebruikt wordt bij hartfalen is de groep plastabletten of diuretica, met name de lisdiuretica furosemide en bumetanide. Deze middelen zorgen ervoor dat u heel veel moet plassen in korte tijd. Plastabletten zorgen ervoor dat u het vocht dat wordt vastgehouden door het hartfalen snel weer kwijtraakt, waardoor u meer kan en minder benauwd wordt. In dit eerste deel van de podcast over hartfalen, worden de plastabletten behandeld.

Boezemfibrilleren komt heel veel voor bij het toenemen van de leeftijd. Dit abnormale hartritme gaat gepaard met een verhoogd risico op bloedstolsels, met name herseninfarcten. Geneesmiddelen die gebruikt worden zijn erop gericht om die stolsels te voorkomen en / of om de hartfrequentie te verlagen, waardoor het hart rustiger gaat kloppen en meer tijd krijgt om zichzelf goed te vullen met bloed en daardoor ook meer bloed kan rondpompen. In deze aflevering worden de bloedverdunners, de bètablokkers, de calciumantagonisten en digoxine besproken. Verder wat tips die u zelf kunt doen. 

Statines worden veel gebruikt na een hartaanval of bij pijn op de borst, maar ook bij diabetes of na een herseninfarct. Statines hebben positieve effecten op de lange termijn, maar kunnen ook wel eens spierpijnklachten veroorzaken. Wat houden die spierpijnklachten in? Hoe vaak komen ze voor? Wat moet u hierover weten? 

Wisselingen in medicijnmerk komt vaak voor. Veel mensen geven aan dat ze bijwerkingen hebben na wisseling van medicijnen. Komt dat door de hulpstoffen? Of komt dat door het verwachtingspatroon dat mensen hebben van hun medicijnen. Hoe kan je ervoor zorgen dat bijwerkingen van medicijnwisselingen zo weinig mogelijk voorkomen. Een positieve verwachting over het medicijn scheppen helpt in het voorkomen van bijwerkingen. Een positief verwachtingspatroon helpt bovendien ook om meer effect te halen uit je geneesmiddel.
Er is aanvullend materiaal inclusief een powerpoint presentatie te vinden op mijn YouTube kanaal: https://youtu.be/m5E-wYUtV0I

Copyright© 2022 - Apothekers Podcast met Harm Geers